dinsdag 4 juni 2013

Nieuwe Iconen in oude kerken.
www.iconen.nu
Openingstekst door Willem Jan Otten
GIOVANNI  DALESSI  IN  FRIESLAND


Zeven gloednieuwe, matglanzende maar stralende schilderijen in zeven oude Friese dorpskerken, vervaardigd door een kunstenaar met een schilderachtige, renaissancistische naam: Giovanni Dalessi – en dat alles onder de titel ‘ Nieuwe iconen in oude kerken’, - de opening van deze tentoonstelling, die maar twee weken te zien zal zijn, is een uitgelezen gelegenheid om ons af te vragen waarom we in een godshuis eigenlijk kijken. En naar wat, naar wie. Ik bedoel: mag dit allemaal wel? Was het monotheïsme niet begonnen met een conflict over het vereren van een beeltenis van een god? Is met Dalessi niet het gouden kalf van Troje de kerk van Leons binnen gehaald?

God is de bij uitstek onafbeeldbare. Zelfs in de gedaante van het schitterendste Gouden Kalf wordt hij een afgod. Hem zien is onmogelijk, zelfs Mozes weet pas dat God zich aan hem heeft vertoond als Hij alweer verdwenen is. Van kijken kan geen sprake zijn.
Ik stel me de grot waar Mozes plaats in neemt om God te ontmoeten voor als een voorafschaduwing van de bioscoop: Mozes kijkt naar buiten, de uitgang van de grot fungeert als kader,  als raam waarbinnen God kan verschijnen en een beeld worden, (of desnoods: als canvas waar God als een soort bewegende schildering op kan verschijnen), hoe dan ook: als iets waar Mozes zijn ogen op zal vestigen, en wat hem een visuele herinnering zal bezorgen die hij de rest van zijn leven zal kunnen oproepen. Dat is wat wij een ‘beeld ‘noemen: een imprint van een visuele waarneming op het netvlies van ons geheugen – waar we, ook als we het niet vóór ons hebben om het met eigen ogen te bestuderen, naar kunnen kijken met ons geestesoog.
        Maar God verschijnt, zoals trouwe lezers van het boek Exodus weten, helemaal niet in deze eerste bioscoop, op dit eerste canvas. Hij gaat voorbij en pas als hij voorbij is beseft Mozes dat hij God gezien zou kunnen hebben, en als hij naar buiten snelt vangt hij nog net iets van een glimp op – van iets wat hij gemakshalve maar ‘een rug’ noemt, want hoe moet je iets wat zich van je verwijdert ánders noemen dan de achterkant, de rug, en die rug is, op het moment dat hij wordt waargenomen, eigenlijk al de volgende rots omgeslagen, want het speelt zich af op een berg, en het enige wat Mozes nu weet is dat dit dan dus God geweest moet zijn.
        Gekeken heeft Mozes niet.
        En  hoe hij ook van nu af aan zijn best doet, uit zijn geheugen zal geen beeld van God opwellen, geen gezicht waarvan de trekken herinnerbaar zijn, geen nabeeld van een onvergetelijke oogopslag.
        Het is een fundamenteel lesje wat de  mensheid hier wordt bijgebracht – denk nooit dat wat je ziet God is, God is altijd meer, anders, wijder dan wat je van Hem bevatten kunt. Nooit kunnen we zeggen wat God is; we kunnen alleen wijzen naar wat hij gebleken is; God is niet, Hij blijkt, en blijken geschiedt in het bewustzijn van steeds de ene aan wie blijkt. God subjectiveert onherroepelijk.
        U weet het hier in het hoge protestante Noorden vier en een halve eeuw na de Beeldenstorm beter dan wie ook: een godshuis is als de grot van Mozes – je gaat er binnen om je tot God te richten, maar afgebeeld wordt Hij er niet. Je kunt er je gedachten aan Hem wijden – en dat gaat het best met je ogen dicht. Hier in de Greidhoek geen halfnaakte uit hout gesneden mannenlichamen gespijkerd aan levensechte kruisen, geen sappige babies op de schoten van jonge vrouwen, laat staan dodelijk gewonde heiligen die met de werktuigen van hun eigen folterdood pronken. En juist in een tijd waarin alles beeld lijkt te worden, sterker: waarin op een willekeurige straat met hakmessen gemoord kan worden opdat het een beeld wordt – waarin expliciete, realistische beeldvorming de logica van ons overbelaste bewustzijn bepaalt – in zo’n tijd oefenen de beeldenstormkerkjes van Friesland en van het Groningse Hoge Land een grote fascinatie uit. Misschien heeft C.O. Jellema het in 1996 de ontledigende aantrekkingskracht er van het helderst verwoord, in zijn kleine gedicht

Kerkje van Fransum:

                Bestaat nog god, kleine sarcofaag
                van het geloof, even leeg
                als de dorische tempels van Paestum:
                hun zuilen een schuilplaats voor andere vogels
                dan goden – als ik naar hem vraag?

               

Kleine mummies van steen
                zonder hart, tabernakel,
                zonder plaats voor een wijkaars, bescherm je
                met jouw lichaam ons landschap
                als bodem voor de hemel? Ik vraag maar.

                Stille klankkast voor buiten, grutto’s
                in juni, het loeiende melkvee bij ’t hek –
                zo gesloten, een avond, ik zit in het gras
                tussen jouw zerken, zo ben je het mooist:
                dicht, van het uitblijvend antwoord de schrijn.

Het kerkje van Fransum, of van Deinum, Blessum, Boksum, Leons, Baard, Easterlittens en Winsum, als kenosis, als ontlediging, precies als de grot van Mozes. Een kerk een mummie van steen noemen, een heiligdom zonder wijkaars, zonder ritueel zelfs, waar de godsdienstoefening uit verdwenen is, alsof God er voor altijd aan voorbij gelopen is, en vervolgens die kerk niet eens binnen gaan, maar er van buiten, tussen de doden, naar kijken en zeggen ‘zo ben je het mooist’ – ik lees dit gedichtje als een mystieke oefening, een Eckhartse poging om God weg te denken, nee, Hem zelfs dood te verklaren en voorzichtig in zijn graf te leggen, in zijn ‘kleine sarcofaag van het geloof’, in de hoop, de onzekere verwachting wie weet, dat Hij de ontstane lege plek zal innemen, als een Koplands ‘uitblijvend antwoord’.

U merkt het: zelfs Jellema kijkt. Hij roept voor zijn geestesoog al dichtend het beeld op – van buiten nog wel – van het Fransumse kerkje – om vervolgens vast te stellen dat het niet is wat je ziet, dat het niet bevat wat je zoekt – en toch is het kerkje, dat een nauw omschreven vorm heeft, alles wat we van God te zien krijgen – terwijl er tegelijkertijd hardop wordt afgevraagd of God wel bestaat.
Het gedicht is even intrigerend als na Witte Donderdag het openstaande tabernakel achter het Altaar van de overvolle Roomsche Amsterdamse Nicolaaskerk waar ik mijn godsdienst oefen. Er is dan tijdens de Mis herdacht dat Jezus het Laatste Avondmaal heeft ingesteld; hij zal nooit meer slapen, eten, drinken en wordt naar zijn executie, naar de dood van God, geleid – en de priester brengt Zijn lichaam, gesymboliseerd door de hostie, naar een nis terzijde van de kerk – waar het, aan het oog onttrokken, woordenloos, in volstrekte stilte wordt aanbeden. De Roomsche rite voorziet, zou je kunnen zeggen, in zijn eigen niet aflatende Beeldenstorm – en doet dat met beelden. Het beeld van het tabernakel, dat open staat als een leeg graf, van de kruisen waarvan de corpussen overal in de Kerk zijn afgedekt met zwarte doeken, van de beker waarin onzichtbaar in broodvorm het Lichaam van God.
        Ik bedoel maar: om God niet te zien hebben we iets nodig om niet te zien; of, zoals de dichter Wallace Stevens schreef: ook  het afsterven van de verbeelding moet worden verbeeld.
        Zonder beeld gaat het niet, of beter: zonder verlangen naar beeld geen godsdienstoefening – zelfs niet de mystieke, beeldenstormende, ontledigende. Dat maakt deze onderneming – om twee weken lang zeven sarcofaagjes van God te vullen met elk één manshoog schilderij van Giovanni Dalessi – waardevol. Het zal beslist schrikken zijn – in het Jellemaase grijs, in het Eckhartse witte licht van de kerkjes,  hangt, soms zelfs boven de plaats waar het altaar geweest moet zijn, een mens. Of zelfs twee mensen. Jonge vrouwen met kleine kinderen, een jonge vrouw met een rat, een naakte  vrouw met zeldzaam aanraakbare borsten liggend over een boek, een peuter in een groen rompje met zijn moeder, een heel jonge moeder met een babiehoofdje aan de borst…
        Duizend vragen roepen ze op, deze gestalten – de eerste is misschien: kijken ze mij aan? Ik geloof dat dat het eerste is wat er gebeurt zodra je een Dalessi in het vizier krijgt: de blikwisseling, zelfs als de geschilderde figuur haar ogen toe heeft. Je kijkt even weg alsof je wordt gezien, of zou kunnen worden gezien. Je bent bevreesd haar gestoord of onderbroken te hebben. En als je daarna weer kijkt, is ogenblikkelijk de volgende vraag: hééft ze (meestal is hij een zij) me gezien, of bemerkt? Zou ze nu kijken? Is zij zich van mijn kijken bewust? Je weet het niet – dit is, geloof ik,  de eerste ambivalentie van Dalessi’s werk. Je kijkt terug, je beantwoordt een blik.
        Dit is, geloof ik, iets anders dan wat er in een Oosterse Kerk met een icoon gebeurt. Ook die kijkt als je je met een gebed tot haar of hem richt. Dat kan met ogen dicht, maar ook als je je ogen sluit, is het alsof de blik van de icoon op je gevestigd blijft. Het is alsof het goddelijke ons ziet, bij ons naar binnen kijkt. Speciaal wanneer een icoon in een iconostase hangt, de voorhang in een orthodoxe kerk, is het je te moede alsof er met de ogen van de iconen gezien wordt, alsof er doorheen gekeken wordt. Ook als we de Kerk verlaten blijft deze blik ons bij, een beetje zoals in psalm 139, ‘Uw oog zag mij, vormeloos nog’. Een icoon gedraagt zich als de moederblik voor een peuter. Toen ik voor het eerst in Sint Petersburg was en in de kerk waarvan ik wist dat Dostojevski hem dagelijks  bezocht de Madonna-icoon zag, dacht ik: moeder, u hebt bij Dostojevski naar binnen gekeken, zie mij nu ook.
        Ik weet niet of het allemaal bedoeld is voor een dergelijke snobistische gedachte, maar wat ik ook bedoel is dat een icoon voor degene die zich tot hem of haar richt met zijn gebeden niet een beeld is, een afbeelding, een object – maar integendeel: een subject, een mij waarnemende gedachte die mij denkt, ik kan het vooralsnog niet helderder krijgen.
        De zeven schilderijen van Giovanni Dalessi zijn allemaal vrouw, op het, half op de rug geziene jongetje Johannes de Doper na. Ze worden Margaretha van Antiochië genoemd, of Maria, of Catharina van Antiochië , al naar gelang de kerk waar zi in zijn gehangen. Ze zijn, zo lijkt het, alle zeven afschaduwingen, of: emanaties, van één archetypische gestalte die de schilder permanent bij zich draagt. Die gestalte is a priori ovaal – vrouwengelaat, parel, ei, amandel-oog – ovaal is Dalessi’s universum, en in ovaal zit, inderdaad, het woord ovum, ei.
 Of zij aan de realiteit is ontleend, de Dalessi-koningin; of zij is ontstaan na het zien van een werkelijke vrouw, godweet zelfs aan zijn geliefde, de moeder van zijn vijf kinderen – weet ik niet; het kan ook heel goed zijn dat hij de innerlijke vrouw heeft kunnen en kan herkennen in de vrouw van vlees en bloed – dat de binnengestalte om zo te zeggen de werkelijkheid formatteert. Ik weet het niet, maar twee weken geleden, toen ik in Dalessi’s atelier op bezoek mocht zijn om de zeven schilderijen, die nog nat waren, te zien, wist ik gedurende het eerste kwartier niet goed waar ik kijken moest – ze maakten me  verlegen.
Later, onderweg naar huis in de auto, merkte ik dat ze zich in mijn hoofd genesteld hadden, de zeven oogopslagen. Ik weet niet of ze, als iconen, door mij heen kijken – maar wel riepen ze het verlangen op ze weer te zien. Ik had het prachtige boek met Dalessi’s verzamelde werk mee gekregen – en kan me sindsdien nu en dan van de oogopslagen vergewissen. Maar het verlangen naar de schilderijen wordt niet gelest door de reproducties. Juist door hun onthoudbare, grafische helderheid is er, weet je voortdurend, iets wat je niet ziet, als je er niet in het echt recht voor, of onder, staat: in het echt zijn ze, bij al hun serene gestileerdheid, ongeëvenaard echt. Alsof ze van vlees en bloed en van zintuigen zijn. Je reageert op dit werk als op een ontmoeting.
        Waarmee, vier honderd vijftig jaar na de Beeldenstorm, iets toch wel heel wonderlijks is gebeurd in uw zeven kerkjes. Ze zijn gevuld met vrouw, met lichaam, met huid, met zintuig. Ze blaken van kleur en zinderen van vorm. Ze herscheppen de kleine, ontledigde sarcofagen tot ruimtes waar de schepping wordt gevierd, de menswording, de incarnatie.
        Gaat dat zien.
                                               

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen